| |
|
Een week vol pennywafels. - Steven
Weer of geen weer, John Eaglebridge gaat iedere avond om klokslag acht uur zijn wandelingetje maken in het park met zijn vuilnisbakkenrashond Paco. Dat doet hij al dertig jaar, met alle honden die hij in die tijd heeft gehad, zo ook vandaag. Het is weer voorjaar, dus het is weer licht in het park en John is nu niet meer de enige. Hij deelt het park met medehonduitlaters, verliefde stellen, zwervers en eenzame dolende zielen. John loopt een tijdje en gaat dan op zijn vertrouwde bankje zitten, uitkijkend op de vijver. Hij staart wat voor zich uit, terwijl Paco wat in het rond snuffelt. Dan valt Johns blik plotseling op een plastic zak die schuin voor hem ligt. De zak is groen met rode strepen en in grote gele letters staat gedrukt: 'Wenselaar Pennywafels'. John pakt de zak op en blijft er een tijdje naar staren. Zijn blik is onafgebroken naar de gele letters gericht en hij lijkt in diepe gedachten verzonken.
In al zijn overpeinzingen merkt John niet op dat een oud mannetje naast hem is komen zitten. De man kijkt John vanuit zijn ooghoek aan en lijkt af te wachten tot hij weer een beetje uit zijn droomwereld terugkomt. Als dat moment uitblijft, hakt de man de knoop door en spreekt John aan: 'Fijn dat het 's avonds weer zo lang licht blijft, h?'. 'Jazeker', antwoordt John en blijft naar de plastic zak staren. Daar stokt het gesprek. De twee blijven nog een paar minuten op het bankje zitten, dan staat het oude mannetje op en loopt weg met een groet waar John niet op reageert. John blijft nog een kwartiertje in het park, totdat de schemering begint in te vallen. Hij roept Paco bij zich, gooit de plastic zak in een vuilnisbak en wandelt terug naar huis.
De volgende dag regent het en John heeft zijn paraplu meegenomen. Hij heeft het park nu bijna voor zichzelf alleen. John gaat weer op zijn bankje zitten, lijkt zich er niet aan te storen dat het nat is en staart weer over de vijver uit. Een gestalte in een regenpak komt naar het bankje sloffen en gaat naast John zitten. 'Goedenavond' zegt de man en hij doet zijn capuchon omlaag. Het grijze verweerde hoofd van het mannetje van de vorige avond verschijnt. 'Goedenavond' antwoordt John, nog altijd voor zich uitstarend en ieder oogcontact vermijdend. 'Heel verschil met gisteravond, h, ik bedoel, die regen en zo'. 'Ja', antwoordt John, nog altijd zonder zijn buurman aan te kijken. 'U bent hier echt iedere dag, h' vervolgt de oude man. 'Inderdaad' antwoordt John. 'Zeg, mag ik u een brutale vraag stellen?' zegt het mannetje en draait zich naar John toe. 'Nou?' antwoordt John en voor het eerst werpt hij een blik naar de man naast hem. 'U was gisteren nogal gebiologeerd door een plastic zak van Wenselaar Pennywafels. Hebt u daar iets mee, of vond u de zak gewoon mooi?'. 'Ik vind ze gewoon lekker', zegt John. 'Alleen de pennywafels? Of misschien ook de bokkenpoten of de mergpijpjes van Wenselaar? Vooral de mergpijpjes kan ik van harte aanbevelen'. John staart recht voor zich uit over de vijver en antwoordt monotoon: 'Nee, ik vind alleen de pennywafels lekker'. Daarna staat hij op, roept Paco en vertrekt zonder een groet.
De regen is de volgende dag nog heviger en John heeft een vuilniszak meegenomen, die hij op zijn bankje legt ter voorkoming van een natte broek. Lange tijd zit John daar alleen, terwijl Paco door het park struint. Dan verschijnt weer de oude man in regenpak. 'Goedenavond' groet de man terwijl hij zich naast John nestelt. 'Goedenavond' antwoordt John, voor zich uit starend. De man haalt een thermoskan tevoorschijn en twee plastic bekers. 'Koffie?', vraagt hij met een vriendelijke glimlach. 'Nee, bedankt', antwoordt John met versteende blik recht op de eendjes in de vijver gericht. 'Ik heb er Wenselaar pennywafels bij', zegt de man en haalt breed glimlachend een pak uit zijn binnenzak. 'John veert op en kijkt voor het eerst deze avond opzij. 'In dat geval drink ik wel een bakkie mee' antwoordt hij, half mompelend, 'zwart graag'. 'De man schenkt koffie in en John staart weer over de vijver uit. Hij mompelt bedankt als de man hem zijn koffie aanreikt en als hij enkele seconden later zijn pennywafel krijgt. Zo zitten de twee een paar minuten lang zwijgend naast elkaar. Af en toe werpt John een vluchtige blik naar zijn buurman. Dan verbreekt deze de stilte. 'Mag ik 'je' zeggen?' zegt hij op zachte vaderlijke toon. 'Natuurlijk' antwoordt John, en richt een onzekere wantrouwige blik naar zijn buurman. 'Ik wilde je wat vragen', vervolgt de oude man, 'Ik snap goed dat je verzot bent op de pennywafels van Wenselaar, maar is dat een reden om zo lang naar een plastic zakje te blijven staren?'. John blijft een tijd voor zich uitstaren en antwoordt dan: 'Ik heb een tijdje tegenover de Wenselaar fabriek gewoond'. 'Oh ja?' vraagt het oude mannetje, 'Was dat bij de huidige vestiging in Zuid-Oost?' 'Nee', antwoordt John, 'bij de oude vestiging in West'. 'Oh' zegt het mannetje, 'dus je haalde oude herinneringen op'. 'Ja' antwoordt John, 'Maar ik moet nu gaan, bedankt voor de koffie en de pennywafel'. Hij roept Paco bij zich en vertrekt zonder om te kijken.
De volgende dag regent het niet, maar het is wel bewolkt. Als John bij zijn bankje aankomt zit de oude man er al. Deze haalt zijn thermoskan en pennywafels tevoorschijn zodra hij John ziet verschijnen. 'Goedenavond' begroet de man John enthousiast. 'Dag' antwoordt John, waarna hij naast de man plaatsneemt. Zonder een woord neemt hij de koffie en de pennywafel aan. 'Weet je' zegt de man op een opgewekte toon, 'ik heb jarenlang in dezelfde vestiging van Wenselaar gewerkt als productieleider op de pennywafelafdeling, waarschijnlijk fietste ik dagelijks voorbij je huis. 'Oh ja?' antwoordt John verbaasd, 'en in welke periode was dat dan?'. 'Van '70 tot '74'. 'Ja, toen woonde ik daar' zegt John en voor het eerst in hun contact laat hij een glimlach zien. Een minutenlange stilte volgt. Dan zegt de man: 'Ja, de wereld is klein'. 'Inderdaad' antwoordt John, waarna hij Paco bij zich roept, zijn metgezel groet en verdwijnt in de avond.
Een dag later. De zon schijnt nu, maar echt warm is het niet. John is er als eerste. Het duurt een minuut of vijf voordat de oude man verschijnt. John neemt met een knikje zijn koffie en pennywafel aan, volgt de eendjes in de vijver en wacht op de ijsbreker van de man. Die volgt zodra deze zijn laatste slok koffie opheeft. 'Je herinneringen namen je nogal in beslag, ben ik brutaal als ik je vraag er iets meer over te vertellen?'. 'Hmmmm' antwoordt John, hij lijkt zich erg ongemakkelijk te voelen in deze situatie. 'Ja, je woont een tijdje in zo'n huis en dan ga je je er thuis voelen en als je daar dertig jaar later aan terugdenkt is dat sentimenteel' brengt John er hakkelend uit. 'Wat maakt je sentimenteel? De herinnering aan het uitzicht op een fabriek met een paar rokende pijpen?' vraagt de man en hij laat een gemaakt vaderlijk glimlachje zien. 'Ach ja, het rook ook wel lekker in de wijde omtrek' zegt John en zijn stem klinkt ineens ontzettend nerveus. 'Goh', vervolgt de oude man, 'Is het beschrijven van de lekkere geur van de fabriek een reden om zo zenuwachtig met je vingers te friemelen?'. 'Ach' zegt John en staart recht naar de grond voor zijn voeten, 'Weet je, ik woonde niet alleen, ik had een vriendinnetje'. 'Kijk' zegt de oude man lachend, 'er zijn vrouwen in het spel'. John zucht, er volgt een stilte van een paar minuten, waarna John Paco bij zich roept, de man groet en met gebogen hoofd wegloopt.
De volgende avond is het beduidend milder dan de avond daarvoor, hoewel de zon het nu ineens laat afweten, dit in tegenstelling tot de middag die eraan voorafging. John en de man komen zo'n beetje tegelijk bij het bankje aan. De man schenkt koffie in, terwijl John zelf een pennywafel uit het pakje haalt. De twee zitten een tijdje zwijgend naast elkaar, waarna John, nippend aan zijn koffie, het woord neemt. 'Ze werkte ook bij Wenselaar, simpel lopende band werk. Maar ze deed het als bijbaan. Ze studeerde nog, het was een slimme meid'. 'Hoe heette ze eigenlijk?' vraagt de man. 'Jolanda' antwoordt John. 'Hmmmm, er werkten veel studenten bij ons, ik kan me al die namen niet herinneren', zegt de man. 'Ze is bij me weggegaan omdat ze een relatie kreeg met een of andere hoge pief van Wenselaar. Ineens was ze bij me weg, van het ene op het andere moment, nooit heb ik die kerel gezien. Vlak voordat ze me verliet had ik haar een ring gegeven, een ring met een kattekop. De ring zat erg strak. Als ze hem afdeed kon je de afdruk van de kat in haar vingers zien'. 'Ik snap nu waarom Wenselaar zoveel herinneringen bij je losmaakt', fluistert de man, 'maar wat wel grappig is, zo'n ring met een kattenkop ..'. 'Ze trouwde met hem en brak haar studie af', onderbreekt John de oude man, 'Ze werd huisvrouw en haar man vond niet veel later ander werk dat nog beter betaalde . Maar anderhalf jaar na hun huwelijk was ze ineens spoorloos verdwenen. Via via had ik al vernomen dat ze veel huwelijksproblemen hadden. Pas vier jaar later werd ze gevonden, dat wil zeggen, haar resten. Ingemetseld in de schoorsteen van hun huis, waar inmiddels andere mensen woonden. Bij toeval ontdekten de nieuwe bewoners haar. Haar schedel was ingeslagen. Haar man werd opgepakt. Hij bekende snel. Hij had haar schedel ingeslagen met een thermosfles. Tien jaar kreeg hij, dus hij loopt nu wel weer ergens rond'. 'Wat een bizar verhaal, het spijt me dat ik zoveel bij je heb losgemaakt door mijn vragen' mompelt de man en kijkt wezenloos voor zich uit. 'Ach', fluistert John, 'ik heb haar gewoon nooit meer van me kunnen afzetten, ben ook niet getrouwd geweest daarna'. Waarop een stilzwijgen volgt. Dan roept John Paco bij zich, groet de oude man en wandelt weg van het bankje. Na een meter of tien draait hij zich om en roept: 'Morgen neem ik koffie en pennywafels mee'.
De volgende avond valt de regen met bakken uit de hemel. Zo was het bijna de hele dag al, alleen 's ochtends had de zon nog even geschenen. John heeft zijn paraplu weer bij zich, de oude man verschijnt weer in volledig regenpak. John haalt zijn thermosfles en zijn pak pennywafels tevoorschijn. Eerst reikt hij de man een pennywafel aan. Dan schenkt hij de koffie in en geeft deze aan zijn metgezel. Dan ineens verstijft hij, de wereld staat ineens stil voor John Eaglebridge. Een koude misselijk makende rilling gaat door zijn lijf als hij de hand van de man ziet. Op de ringvinger staat de afdruk van een kat. 'Is er iets?' vraagt de man verbaasd terwijl hij de kop koffie probeert te pakken die John stijf in zijn handen houdt. 'Nee hoor' stamelt John en laat het kopje koffie los. Het zweet breekt hem uit. De twee zitten zwijgend naast elkaar, minutenlang wordt er niets gezegd. 'Lekker bakkie' zegt de man tenslotte. 'Ja h' antwoordt John fluisterend, 'zelf gemalen koffiebonen'. Weer een lange tijd stilte. John klemt zijn hand steeds steviger om de thermosfles. De vijver, de eendjes en Paco bestaan niet meer. Dan wordt het pikzwart voor Johns ogen en met n snelle beweging haalt hij uit met de thermosfles naar de man naast hem. Hij treft hem recht op het voorhoofd. De man gilt, hij valt met een doodsbange blik in zijn ogen naar achteren. John duikt bovenop hem en mept met de thermosfles op de man in. Na een tijd beweegt de man niet meer en hij lijkt niet meer te ademen. Uit zijn schedel golft het bloed. John raakt in paniek. Hij pakt het lichaam van de man op, sleept het naar de vijver en gooit het in het water. De eendjes vliegen verschrikt opzij. Dan rent hij naar de uitgang van het park. Paco rent achter hem aan. En omstander rent achter John en Paco aan, een andere haalt zijn mobiele telefoon uit zijn jaszak.
De volgende dag schijnt de zon weer en het is ook warm. Dit is een meevaller, er was regen voorspeld. Het park is al een dag afgesloten voor het publiek. Pottenkijkers worden op grote afstand gehouden. Om acht uur 's avonds staan er acht politieagenten rond het bankje, dat nog eens extra afgezet is. Twee agenten drinken een kop koffie. Een derde biedt hun een mergpijpje aan. 'Wenselaar?' vraagt n van de agenten. 'Nee', antwoordt zijn collega, 'Brugberg'. 'Dan lust ik er wel n' zegt de agent met een serieuze blik, 'Wenselaar vind ik namelijk iets te chemisch'. 'Daar staan ze om bekend' voegt de derde agent toe, terwijl hij afwezig naar het bankje staart.
Drie weken later is het weer warm. Het is inmiddels zomer. De afgelopen dagen was het ook warm en de verwachting is dat het mooie weer nog even aan zal houden. Het park is vol verliefde stellen, zwervers en jongelui die voetballen of gitaarspelen met naast zich een kratje bier. Om acht uur 's avonds staat een jonge vrouw naast het bankje. Op het bankje zit een oude man. De vrouw legt bloemen neer op het bankje. 'Bloemen voor het slachtoffer, neem ik aan?' vraagt de man zachtjes en rustig. 'Ja, hij was mijn vader' antwoordt de vrouw bijna fluisterend. 'Het spijt me', zegt de man en even valt het stil. De vrouw haalt een ring van haar vinger, een ring met een kattenkop, en legt die naast de bloemen. 'Deze ring heb ik van hem gekregen, een week voor zijn dood', fluistert ze zachtjes. De oude man knikt en kijkt de vrouw aan. 'Hij had hem ooit op een rommelmarkt gekocht van een vage collega, een werkstudente die hij wel van gezicht, maar niet van naam kende', vervolgt ze en een snik lijkt in haar stem door te klinken. 'Ze wilde er zo snel mogelijk vanaf omdat ze hem van haar ex had gekregen of zoiets. Kort daarna nam ze ontslag bij het bedrijf'. Een stilte volgt. De vrouw blijft nog een tijdje bij het bankje staan en wandelt dan rustig naar haar fiets. 'Ik ga weer, een prettige avond verder' fluistert ze met een glimlach, 'ik moet nog even langs het asiel'. 'Ah, u wilt een kat of hond aanschaffen' antwoordt de man met luide stem. 'Ja', zegt de vrouw, 'een hond. Dat heb ik altijd al gewild en nu is er net een leuke binnengekomen in het asiel, een vuilnisbak met de naam Paco'.
|